The Maccabees – Given to the Wild *****

Als een bloem die langzaam maar zeker open bloeit

Hoe vaak maak je dat nu mee? Eén keer per jaar? Per twee jaar? Om de vijf jaar? Ik neig naar dat laatste. Waar ik het over heb? Er wordt een nieuw album uitgebracht, waarvan je na één luisterbeurt denkt dat er wel wat in zit, na vijf draaibeurten voelt dat je met het album van het jaar te maken hebt en na de tiende keer zegt ‘dit moet een van de beste dingen ooit zijn’.

The Maccabees hebben het geflikt. Hun laatste worp, Given to the Wild, is van een zelden geziene schoonheid. Het is een meesterlijke groeiplaat die zich maar stukje bij beetje prijsgeeft. Als een bloem die langzaam maar zeker open bloeit. Als een rups die zich wonderlijk ontpopt tot een bonte vlinder. Zo moet ook Given to the Wild eerst uit het ei kruipen en verward de wereld rondom zich aanschouwen, om vervolgens langzaam maar zeker haar vleugels uit te slaan en de wijde wildernis in te trekken.

Het gros van de songs balanceert tussen het kleurrijke spelplezier van Arcade Fire (de blaasinstrumenten!) en de zorgvuldig opgebouwde postrock van Explosions in the Sky (elk nummer barst genadeloos los). Een slappe koord waar menig artiest van af zou tuimelen, maar niet zo met The Maccabees. Schijnbaar moeiteloos combineren de Londenaars het frivole met het subtiele, waarbij ze het geheel overgieten met een eigenzinnige saus van weemoed en weidse geluiden. Alsof je je midden in de Amerikaanse Great Plains bevindt. Kijk maar naar het desolate landschap op de hoes.

Ode aan de nostalgie

Given to the Wild is zo’n album waarop je niet alleen favoriete nummers hebt, maar ook favoriete momenten ín de songs. De gitaarveeg in ‘Forever I’ve Known’ die het losbarsten aankondigt, de magnifieke stem van gastzangeres Catherine Pockson die haar intrede doet in ‘Unknow’, het speelse getokkel in ‘Heave’. You name it.

Veelzeggend is dat ‘Pelican’, de razend aanstekelijke radiohit, volledig uit de toon valt met de rest van het album en in feite verre van het beste nummer is op Given to the Wild. Die eer is weggelegd voor – u kiest zelf maar uit – het ontroerende ‘Ayla’, waar een verrassende piano opduikt; het stuwende ‘Went Away’; het beklijvende ‘Feel to Follow’ – op hoeveel manieren kan zanger Orlando Weeks die ene zin uitspreken?; het ontroerende liefdesverdriet in ‘Forever I’ve Known’ -  “forever I’ve known nothing stays forever / couldn’t you just lie”. Zeer juist, Given to the Wild is één lange ode aan de nostalgie.

Recensenten en ander gespuis schrijven wel eens dat het zangspel van Orlando Weeks doet denken aan Chris Martin. Daar is nochtans maar weinig van aan. De kwatongen die dat beweren, mogen hun op maat gemaakte earplugs in de pedaalemmer smijten en nog eens goed luisteren naar Given to the Wild: Weeks is absoluut de evenknie van Arcade Fire-zanger Win Butler. Het fragiele stemgeluid en het heerlijke, door merg en been gaande gekreun: geen twijfel mogelijk.

Given to the Wild is het derde album van The Maccabees, en naar verluidt ook het meest volwassene. Maar daar kan ik geen oordeel over vellen: het was pas mijn eerste ontmoeting met The Maccabees. Aangename kennismaking. De publieke opinie beseft het nog niet helemaal, maar over een jaar of vijf zal blijken dat Given to the Wild tot dusver dé plaat van de eenentwintigste eeuw is.

Fietsvierdaagse is dekmantel voor eindeloze braspartijen

El Bromista undercover in het wielertoeristenmilieu (-satire-)

Laten we eerlijk zijn, wielertoeristen genieten geen goede naam. Hun bijwijlen roekeloze rijgedrag heeft deze omvangrijke laag van de Belgische bevolking zelfs de veelzeggende bijnaam “wielerterroristen” opgeleverd. Ook de liters alcohol die na een zondagochtendritje geheid vloeien, doen geen goed aan die kwalijke reputatie. Maar klopt dat allemaal wel? Valt er dan echt geen greintje sympathie en professionalisme te bespeuren in het zo populaire hobbywielermilieu? El Bromista vergezelde undercover een groep Meetjeslandse fietsliefhebbers op hun vierdaagse uitstap naar de Zuid-Franse Cevennenstreek, en keerde terug met dit onthutsende verslag.

Meyrueis, Cevennen

Dag 1

Op de ochtend van de eerste dag in de Cevennen hangt er nog geen vuiltje aan de lucht. Ook letterlijk, want ondanks de ongunstige weersvoorspellingen is de hemel op enkele verloren wolkjes na helderblauw. Het belooft een mooie fietsdag te worden.

Aan professionalisme geen gebrek bij de veertienkoppige groep Belgische wielertoeristen. Zowat elke racefiets is kraaknet opgepoetst, weegt vederlicht en is van een gerenommeerd merk. Hypermoderne gps-systemen zorgen ervoor dat verloren rijden niet meer tot de mogelijkheden behoort, en dankzij een heuse volgwagen – een presentje van de sponsor – is materiaalpech in een handomdraai verholpen. Deze groep fietsvrienden neemt zichzelf au sérieux, dat is duidelijk. Soms zelfs iets té, want blijkbaar heerst het idee dat de groep aan een ware hoogtestage bezig is. Nu kun je veel beweren van een vierdaags verblijf in de Cevennen, maar niet dat het een hoogtestage is. Daarvoor is de tijdspanne te kort en leunt de hoogte (op de meeste plaatsen 500 tot 1000 meter) nog te dicht tegen de zeespiegel aan.

Hoe dan ook is de stemming opperbest. En dat blijkt ook tijdens de eerste rit. In het bergop fietsen rijdt ieder z’n eigen tempo, boven wordt op elkaar gewacht en hier en daar wordt tijd gemaakt voor een groepsfoto (als bewijs voor het thuisfront dat er ook daadwerkelijk gefietst is, zo besef ik nu). Tijdens de bijna zes uur durende toer maakt de groep maar één tussenstop om wat te drinken. Geen alcoholhoudende streekbieren die zich na consumptie genadeloos in de kuitbenen nestelen, maar wel colaatjes, limonades en koffies. De nodige suikers en energie dus. Jazeker, deze wielertoeristen weten waar ze mee bezig zijn.

Pas ‘s avonds, na afloop van de slopende trainingsrit, keert het tij en gaan plots alle remmen los. Zonder tijd te maken om te douchen of zelfs maar op adem te komen, installeert het gezelschap zich in de bar van het hotel en bestelt het ene streekbiertje na het andere. Het hotelpersoneel komt handen te kort om de vraag naar Leffe, Pelforth en 1664 – de enige voorhanden zijnde merken – bij te houden. Tijdens het chique diner gaat het spelletje gewoon door, maar dan een stapje verder: bier geeft de stok door aan wijn. Dezelfde hoeveelheid, maar dan sterker. Het lijkt wel alsof alle gedane arbeid van de dag noodzakelijkerwijze gecompenseerd moet worden door overmatig alcoholgebruik.

De gevolgen laten niet lang op zich wachten. De serveersters worden het voorwerp van seksistische opmerkingen en mannelijk geroddel. Het overige hotelclientèle is zichtbaar geïrriteerd maar houdt zich vooralsnog gedeisd. Dag 1, de toon is gezet.

Dag 2

Gorges du Tarn

Aanvankelijk vertoont de tweede dag heel wat gelijkenissen met de eerste. ’s Ochtends wordt alles in gereedheid gebracht voor alweer een stevige trainingsdag in het middengebergte. De benen zijn geschoren, de kettingen gesmeerd, de volgauto volgetankt.

Al na een paar uur blijkt echter dat de inspanningen en het drankgebruik van de voorgaande dag toch niet zo goed zijn verteerd als gehoopt. Het klimmen gaat moeizamer en in het dalen verslapt de aandacht zo nu en dan, wat zich zelfs vertaalt in een valpartij – gelukkig zonder veel erg. Maar het wordt duidelijk dat de liederlijke taferelen van de avond tevoren langzaam maar zeker hun tol beginnen te eisen.

Na 100 van de 140 af te leggen kilometers wordt gezamenlijk besloten om de rit in te korten. De laatste hellingen zullen worden geschrapt ten voordele van een makkelijker traject langs de Tarnrivier.

Bij aankomst aan het hotel palmt het peloton ogenblikkelijk het zonnige terras in. De serveerster wordt zonder overleg gevraagd veertien Leffes te laten aanrukken, die binnen de kortste keren leeggedronken zijn. Er zullen er die avond nog veel volgen.

Dag 3

De eerste dag regen zorgt ervoor dat de geplande rit niet zomaar met een paar kilometer wordt ingekort, zoals een dag eerder nog het geval was, maar volledig geschrapt. Plots is niemand nog geïnteresseerd in het fietsen. Mocht het concept ‘fietsvierdaagse’ tijdens het begin van de reis al met een korrel zout genomen moeten worden, dan is de term nu alle betekenis verloren.

Als de regenwolken na de middag verdwijnen, wordt alsnog tot een ritje van een kleine twee uur besloten. Al gaat ook dat niet zonder slag of stoot. Er wordt steen en been geklaagd over de gure bergwind (wat moet dat dan wel niet geven tijdens een echte hoogtestage, vroeg ik me onverwijld af) en een paar fietsers maken vroegtijdig rechtsomkeert.

De avondlijke schranspartij wordt dan maar vroeger dan gewoonlijk ingezet, en deze keer meteen binnenshuis. De lobby en het salon van het hotel vallen ten prooi aan de lusten van de groep Belgische sportievelingen. De overige hotelgasten voelen zich niet langer veilig en vluchten wijselijk hun kamers in. Het personeel doet wat het kan om de herriemakers in toom te houden maar slaagt daar amper in. Dag 3 zal het drieste dieptepunt van de reis blijken.

Dag 4

Op sportief vlak valt op de slotdag heel wat te beleven. Alsof het er nu echt op aankomt, ontbindt zich een interne strijd tussen de leden van de wielerclub. Al van bij het begin van de Col du Perjuret, de eerste van twee beklimmingen, wordt aan een hard tempo gereden en moeten enkele renners achterin de rol lossen. Tijdens de laatste twee kilometer voor de top worden zowel voorin als achterin rekeningen vereffend en psychologische spelletjes gespeeld. De sfeer is nu grimmiger dan ooit.

Tijdens de beklimming van de Mont Aigoual, het hoogste punt van de Cevennen en bekend van Tim Krabbés roman De renner, slaat het weer bovendien om: het gaat lichtjes regenen en bijzonder hard waaien. Een aantal fietsers maakt van de gelegenheid gebruik om waaiers te vormen en een stevig tempo op te leggen. Twee mannen worden tot opgave gedwongen en zullen de strijd vanuit de volgwagen volgen.

Op de top van de Aigoual is het nog harder gaan regenen en wakkert de noordenwind aan. Druppelsgewijs bereiken de leden van de wielerclub het meteorologisch centrum van de Aigoual. Sommigen zijn zo misnoegd over de gang van zaken dat ze zonder wachten de ijskoude afdaling inzetten. Waren het tijdens de eerste dagen van de Cevennenreis vooral andere mensen die het gedrag van de Meetjeslandse fietsliefhebbers moesten ontgelden, op de slotdag komen ook interne strubbelingen bovendrijven. Al zal het de El Bromista-lezer niet verbazen dat alles ’s avonds in het hotel wordt bijgelegd bij pot en – vooral – pint.

Wie dacht dat wielerterroristen zich op verplaatsing beter (lees: ‘sportiever, professioneler en gezonder’) gedragen dan op het thuisfront, komt bedrogen uit. Meer nog, de vierdaagse ‘hoogtestage’ bleek niets minder dan een dekmantel voor uitzinnige braspartijen waarbij de gemiddelde cantusganger de wenkbrauwen fronst. Er werd weliswaar gefietst, maar liefst niet te veel en niet te lang. De foto’s van de sportieve bezigheden dienden enkel om het thuisfront te misleiden. Fysieke herinneringen aan de avondlijke bacchanalen zijn er dan ook niet, maar deze getuigenis van El Bromista brengt verheldering. Omdat de wereld mag weten hoe het er echt aan toe gaat in het obscure wereldje van de hobbywielrennerij.

Adriaan Brouwer, Boerendrinkpartij, 1620-1630

Voorjaar 2012: Quick Step boert goed, Lotto is nergens

Lottoploeg weer met beide voeten op de grond

Nu de eerste voorjaarsklassiekers achter de rug zijn, stellen we vast dat Quick Step weer hét Belgische team is, en Lotto voorlopig wat achterop hinkt. In het Gilbert-jaar 2011 waren de rollen nochtans omgekeerd.

De eerste editie van de vernieuwde Ronde van Vlaanderen, met het Muur- en Meerbekeloze parcours, is achter de rug. En we geven en masse toe dat het al bij al wel meeviel met die lusjes. Zelfs vermaard columnist Hugo Camps, vorig jaar nog furieus foeterend tegen ‘moneymaker’ Wouter Vandenhaute, gaf ridderlijk toe dat hij genoten had en dat Tom Boonen dat echt wel voortreffelijk gedaan had.

Over Tommeke gesproken. Het eveneens grondig gewijzigde team van Quick Step, thans met Omega Pharma-baas Marc Coucke als hoofdsponsor, boert in 2012 tot dusver bijzonder goed. Extreem goed zelfs. 25 overwinningen staan er al op de teller. Bijna drie keer zo veel is dat als alle zeges van 2011 samengeteld.

Spilfiguur in het succesverhaal is natuurlijk een herrezen Tom Boonen, maar ook sprinter Francesco Chicci en ronderenner Levi Leipheimer hebben hun aandeel in de zegereeks. Om nog maar te zwijgen van jeugdige talenten als Andrew Fenn en Julien Vermote. En dan moeten de heydays van wereldkampioen tijdrijden Tony Martin nog komen.

Lotto onzichtbaar

Een heel ander verhaal zien we bij die andere Belgische WorldTourploeg, Lotto-Belisol. Was dat collectief vorig jaar nog het beste team ter wereld, hoofdzakelijk dankzij zegekoning Philippe Gilbert en sprintbom André Greipel, sinds het verdwijnen van de Belgische Kampioen draait het vierkant in het team van Marc Sergeant. Lotto-Belisol is onzichtbaar in zowat alle wedstrijden die er toe doen. Dat valt deels uit te leggen door pech: voorjaarskopman Jürgen Roelandts kwam midden januari zwaar ten val in de Tour Down Under en mocht gelijk een kruis maken over de voorjaarsklassiekers. Blijft ook de vraag of Roelandts wel had kunnen opboksen tegen Cancellara, Boonen en co.

Bovendien verklaart pech niet alles. De Iraanse veelwinnaar Mehdi Sohrabi werd eind 2011 met veel tamtam binnengehaald, maar kon vooralsnog geen botten breken in Europa. Ook aanstormend talent Tosh Van der Sande schiet nog tekort in het grote werk. Het kunnen nu eenmaal niet allemaal Sagannetjes zijn. Voorlopig is het wachten op de Ardennenklassiekers, waar Jelle Vanendert eens voluit zijn kans mag gaan. Maar de sympathieke Limburger is, naar eigen zeggen, ‘nog geen echte kopman’.

Misschien moet het grote succes wel komen van Jurgen Van den Broeck. In zuiderse rittenkoersen als de Ronde van de Algarve (4e), de Ronde van Catalonië (3e) en de Ronde van het Baskenland (momenteel bezig) bereidt hij zich in stilte maar met succes voor op de Ronde van Frankrijk. En daar lijkt hij, op zijn 29ste, eindelijk écht klaar voor te zijn.

Het Chelsea van het wielrennen

Intussen loopt het ook in het superteam BMC, hier en daar ‘het Barcelona van het wielrennen’ genoemd, allesbehalve op wieltjes. Voorlopig kon enkel Cadel Evans voor een bescheiden succes zorgen door het Internationaal Wegcriterium op zijn naam te schrijven. Al was de tegenstand ginder op Corsica ook niet je dat.

Maar toppers als Alessandro Ballan, Greg Van Avermaet en Thor Hushovd moeten nog op dreef komen. Die eerste twee reden weliswaar mooie ereplaatsen in de Ronde van Vlaanderen en Strade Bianche, maar Hushovd was dit jaar nog nergens. Misschien komen ook zijn successen pas in de Tour de France, waar hij vorig jaar twee ritten won.

Hoe dan ook gaat de vergelijking met Barcelona voorlopig niet op. Zelfs uithangbord Philippe Gilbert heeft zijn draai dit jaar nog niet gevonden. BMC is in 2012 meer het ‘Chelsea van het wielrennen’. Net als Barcelona veel vedetten, maar markante resultaten blijven uit.

Belgisch rugby zit in de lift

Gepassioneerde fans en sportieve successen promoten gentlemensport

Maar liefst 8000 fanatiekelingen zagen op 25 februari hoe België en Nederland de degens kruisten in een rugbyderby. De Zwarte Duivels wonnen met 58-3 – hun grootste zege ooit – maar nog verbazender dan die monsterscore was de enorme populariteit van de rugbysport in ons land. “We zijn supporters van nationale eenheid.”

Voorlopig wordt er nog naast het Boudewijnstadion gerugbyd.

Ietwat verscholen in de schaduw van het imposante Koning Boudewijnstadion, in een uithoek van het Heizelcomplex, ligt ‘Bijterrein 2’. Daar wordt de belangrijke rugbyderby tussen België en Nederland gespeeld. Het bescheiden stadion biedt plaats aan 8000 supporters, en die zijn ook in zulke getale aanwezig. Ongetwijfeld zit het zachte winterzonnetje daar voor iets tussen, maar toch verbaast de grote opkomst.

Uitverkocht

Vanwaar die populariteit voor het rugby, een sport die in België toch behoorlijk klein is? Zeker in vergelijking met rugbynaties als Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika en Frankrijk. “Het rugby zit bij ons al een aantal jaar in de lift”, zegt Rino Billi, organisator van de interland tussen België en Nederland. “Vroeger kwam er meestal maar 3000 man naar de stadions, maar vandaag is de wedstrijd zo goed als uitverkocht.”

Billi heeft dan ook de handen vol. Voor de aanvang van de match loopt hij voortdurend heen en weer tussen de vipruimte, de perstent en het speelterrein. Gsm aan het oor, her en der handjes schuddend. “Er zijn trouwens een twintigtal journalisten aanwezig, en vijf tv-stations, waaronder RTL en Sporza.”

Er is inderdaad een kleine cameraploeg van de openbare omroep naar de Heizel afgezakt. Weliswaar niet om een liveverslag te maken, maar een korte reportage als uitsmijter voor Sportweekend. VRT-journalist Gert Gommé, gewoonlijk tennisverslaggever, legt uit. “Een kleine sport als rugby komt meestal niet aan bod in de Sporza-programmering, maar met een belangrijke derby als deze pakken we graag uit. Het schept plezier om een sport als rugby meer erkenning te geven.”

This is not soccer

Terwijl zowel het Belgische als het Nederlandse team zich opwarmt voor de wedstrijd – de scrums en de line-outs volgen elkaar in ijl tempo op – stromen de supporters mondjesmaat toe. Twee opvallende vaststellingen: Nederlandse en Belgische aanhangers posteren zich kriskras door elkaar, en bijna de helft van het publiek is niet ouder dan achttien. Er zijn zelfs een paar jonge gezinnen. Dochtertje op de schouders van papa, zwaaiend met een tricolore vlaggetje. Het rugby is, zo blijkt, een echte familiesport.

Haagse jongelui posteren zich tussen Belgische supporters.

Onder de Nederlandse fans bevindt zich ook een groep jonge rugbyspelertjes. Met negentig zijn ze, en ze komen met de bus van Breda. “Ook in Nederland wordt het rugby populair,” weet trainer-begeleider Edwin van de Meeberg. “Dat merken we aan het groeiende enthousiasme bij de Bredase Rugbyclub. Al is er natuurlijk nog werk aan de winkel. Toen we hier arriveerden, wezen de kinderen naar het Koning Boudewijnstadion (35.000 plaatsen, red.). ‘Wij willen in dat stadion’, zeiden ze.”

“De sfeer tijdens een rugbywedstrijd is fantastisch”, gaat Van de Meeberg verder. “Alles zit door elkaar: jong, oud, België, Nederland. En ik heb nog nooit van opstootjes geweten. Ook niet op het veld. In het rugby wordt er nog geluisterd naar de scheidsrechter. Dat is in het voetbal wel anders.” Toeval of niet: begin februari ging een YouTube-filmpje van een rugbymatch tussen Munster en Treviso de wereld rond. Twee spelers van het Italiaanse team maakten het te bont en scheidsrechter Nigel Owens riep de kemphanen bij zich. “Stick to your job, and I will do mine,” zei hij, “this is not soccer.” ‘Dit is geen voetbal.’

Gentlemensport

Inge Kieft uit Den Haag vraagt zich af waarom het rugby ondanks alles ondergewaardeerd blijft. “Door de ingewikkelde regels en de snelle opeenvolging van spelfases is een wedstrijd soms moeilijk te volgen. Misschien is dat het wel?” Inge is helemaal uit de Randstad afgereisd naar Brussel om haar twee zonen aan het werk te zien. Floris en Zeno Kieft, respectievelijk spelers van de Haagsche Rugbyclub en het Franse La Rochelle, zijn allebei aanvallers bij het Nederlandse team. “Het gebeurt niet vaak dat ik ze samen aan het werk zie.”

Voor de gelegenheid heeft Inge zich dan ook flink uitgedost. Oranje jas, roodblauwe verf op de wangen en zelfs een feloranje krullenpruik. Het doet pijn aan de ogen, maar zorgt wel voor ambiance. “Gezellig naar het rugby kijken, met een biertje in de hand. Er is toch niets beters?”

Ook oma Kieft is meegereisd. Ze heet Désirée, maar iedereen noemt haar Daisy. En Daisy denkt zo het hare over de voetbal-rugbyvete. “Als ik aan mensen vertel dat mijn kleinzonen rugby spelen, kijken ze vreemd op. ‘Rugby, zo’n ruige en gevaarlijke sport’, klink het. ‘Waarom geen voetbal?’ Terwijl er in het voetbal net veel meer ruzie en rivaliteit is, tussen de spelers én tussen de supporters. Het rugby is een echte gentlemensport, hoor.” “Un sport de brutes, joué par des gentlemen,” fluistert iemand achter ons. En bij het voetbal is het natuurlijk juist omgekeerd.

Er waren ook een aantal cameraploegen aanwezig.

Supporters van nationale eenheid

Eveneens een gentleman is Nicolas Meulemans. In de week is hij politieagent in Elsene, maar al zijn vrije tijd spendeert hij aan zijn functie als voorzitter van de officiële supportersclub van de Zwarte Duivels. Een jaar geleden kwam de volbloed rugbyfan op het idee om de nationale fanclub op te richten. “De Rode Duivels hadden al lang een supportersclub, dus waarom de Zwarte Duivels ook niet?”, aldus Meulemans. “België is het enige rugbyteam op de wereldranglijst dat nog nooit daalde. Tot op vandaag blijven ze stijgen.” Iets wat van de Rode Duivels niet altijd gezegd kan worden.

Amper een jaar nadat hij het levenslicht zag, telt de supportersclub al 2500 leden. “En daar zit van alles wat tussen”, zegt Meulemans. “Jong en oud, sportief en minder sportief, Vlamingen, Walen en Brusselaars. Communautaire problemen, die bestaan hier niet. Het zal me worst wezen waar de supporters vandaan komen. We zijn Belgen die met de Belgische vlag zwaaien. Een supportersclub van nationale eenheid.”

Dat het enthousiasme aanstekelijk werkt, blijkt bij elke wedstrijd. “We proberen wel nieuwe leden aan te trekken via Facebook en de website, maar er gaat niets boven mond-tot-mondreclame. Tijdens elke interland melden zich een heleboel nieuwe leden.”

WK-droom

Meulemans ademt passie voor de rugbysport. Het is zijn droom, en ongetwijfeld de droom van alle spelers en supporters, om de Zwarte Duivels over drie jaar op het WK aan het werk te zien. De promotie naar divisie 1A van het Europese landenkampioenschap maakt van die verre droom een reële mogelijkheid. “Bovendien”, zegt Meulemans, “zou het Belgische rugby definitief op de internationale kaart komen. Dat zorgt dan weer voor meer media-aandacht en meer financiële middelen. Want de rugbybond moet het, in tegenstelling tot het voetbal, stellen met een klein budget.

De rugbyfederatie krijgt trouwens hulp uit verrassende hoek. “Freddy Thielemans, de burgemeester van Brussel, heeft vroeger nog bij de nationale ploeg gerugbyd. Hij geeft ons administratieve en politieke steun. Tot een paar jaar geleden was het rugby in ons land een erg amateuristische sport. De spelers moesten vrij nemen om zich op wedstrijden voor te bereiden. Maar de succesvolle internationalisering en de stijgende populariteit van de Zwarte Duivels maken de sport steeds professioneler.”

The Waterboys @ AB: een stuwende wervelwind van rock en poëzie

The Waterboys brachten een uitverkochte AB tweeënhalf uur lang in vervoering. Met een sublieme combinatie van oude rocknummers, recent folkwerk en Ierse poëzie bewezen Mike Scott en zijn kompanen dat ze live amper te overtreffen zijn.

Duidelijke concepten doen het altijd goed. Dat hadden ook The Waterboys begrepen. Het optreden van de zevenkoppige band bestond uit twee delen: eerst ‘a killer set of vintage Waterboys’, daarna een greep uit hun weergaloze comebackalbum An Appointment with Mr. Yeats (2011). De periode daartussenin, met matige platen als Book of Lightning (2007), werd bedachtzaam overgeslagen.
Dertig jaar bestaat de band intussen, en ook na al die jaren hebben The Waterboys live niets aan energie en spelplezier ingeboet. Dat hun vroege werk nog steeds de kracht van weleer ademt, bewezen songs als ‘All the Things She Gave Me’, ‘Rags’ en het onvermijdelijke anthem ‘A Girl Called Johnny’. Die stuwende wavenummers uit hun beginperiode, ook wel ‘the big music’ genoemd, stonden stuk voor stuk als een huis. Toppunt van de eerste concerthelft was ‘The Pan Within’. Niet het bekendste nummer van de waterjongens, maar het epische liefdeslied is wel van oudsher een favoriet onder de diehardfans.
Wie de oude songs van The Waterboys op album beluistert, kan niet om de prominente saxofoons heen. Toch werden de blaasinstrumenten vervangen door het vakkundige vioolgeluid van ‘legendary fiddler’ Steve Wickham, die mee de kenmerkende folksound van de latere Waterboys-album bepaalde. Wickham haalde bij momenten halsbrekende goocheltrucs uit met zijn instrument en kon daarmee rekenen op sympathie van publiek en collega-muzikanten.
Tijdens het tweede gedeelte van het optreden passeerde een bloemlezing uit An Appointment with Mr. Yeats de revue. Met dat album – waarop de gedichten van W.B. Yeats worden omgetoverd tot folkrocknummers – verrasten The Waterboys vorig jaar vriend en vijand. De zeven muzikanten voelden zich klaarblijkelijk ook het meeste in hun sas met die nieuwbakken liedjes.
Live namen de Yeats-songs vaak epische proporties aan. Orgelpunt was daarbij ‘Mad as the Mist and Snow’, dat uitdraaide op een duel tussen een indrukwekkende Wickham en een geweldig op dreef zijnde Scott. Diens stem is in de loop der jaren overigens een pak korreliger geworden, maar des te karaktervol.
Frisse verschijning tussen al dat oude rockersgeweld was gastzangeres Katie Kim. Gehuld in opvallend rood, maar toch ook breekbaar en schuchter. De Ierse maakt er in interviews geen geheim van dat ze zo nu en dan te kampen heeft met podiumvrees. Met haar subtiele stem vormde ze de perfecte aanvulling op het rauwe geluid van Mike Scott.
De bekendste hits kwamen vanzelfsprekend tijdens de afsluitende encore. ‘Don’t Bang the Drum’ klonk nog nooit zo uitzinnig, ‘The Whole of the Moon’ zette de zaal in vlam en elk concert ter wereld zou moeten eindigen met de huilende violen van ‘Fisherman’s Blues’. The Waterboys is en blijft een band die live als een wervelwind tekeergaat en daarbij geen mens onberoerd laat. Concertjaar 2012 kan nu al niet stuk.